Skip to main content

Saskia Gras | De Vrije Academie – Psychopolis 1947-1982: een kunstzinnige vrijhaven in de Hofstad

Vrijheid, wars van elke norm, het experiment omarmen,
morele vorming en ‘jezelf worden’. De Vrije Academie
in Den Haag praktiseerde dit kunstzinnige opleidingsideaal
tussen 1947 en 1982 vol overtuiging. Saskia
Gras beschrijft in dit artikel de bevindingen van haar
promotieonderzoek naar deze bijzondere academie.

1 Dit artikel is gebaseerd op het proefschrift van Saskia Gras (2017). Vrijplaats
voor de kunsten, de Haagse Vrije Academie 1947-1982. Uitgegeven in 2018 als
Vrijplaats voor de kunsten, De Haagse Vrije Academie - Psychopolis 1947-1982.
Delft: Academische Uitgeverij Eburon.

Link naar het artikel in pdf vorm

 


Bij het doorspitten van de vele mappen met werk van Idonia trof ik twee documenten aan die door de Vrije Academie waren gemaakt en die informatie gaven over twee (waarschijnlijk nieuwe) lessen die er gegeven zouden gaan worden. Uit deze stukken blijkt op welke wijze en waarom er aandacht aan wordt gegeven.

Digging through the many folders containing Idonia's work, I came across two documents created by the Free Academy that provided information about two (probably new) classes that would be taught there. From these documents it is clear in what way and why attention is being paid to them.


3234

CURSUS: MATERIALENKENNIS

-Kunst wordt beoefend en die beoefening moet worden aangeleerd. Er dient dus onderricht in te worden gegeven. Doch men moet vooral niet denken dat het de kunst zelve is, die onderwezen wordt. Haar aangaande bestaat er geen leer dan alleen deze: dat er geen kunstleer mogelijk is.-

- Geen enkele kunst, zelfs niet de meest waarachtige, (en deze het minst) kan vaardigheid ontberen. In tegendeel; ofschoon geen stiel van nijverheid zijnde, is zij toch een beroep en stelt als zodanig de beoefenaar technische bekwaamheid en vakkennis tot eis.

Wie smeden wil moet het vak verstaan. Wie schilderen wil, moet met het materiaal bedreven kunnen omgaan. Is hij onbedreven dan is hij de slaaf van zijn materiaal; hij wordt er gedurig door belemmerd, hij is het niet de baas, hij is het niet meester! - schrijft Hoogerwerf.


COURSE: MATERIALS KNOWLEDGE

-Art is practiced and that practice must be taught. It must therefore be taught. But above all one should not think that it is art itself that is being taught.
There is no teaching concerning it except this: that there is no art teaching possible.

- No art, not even the truest, (and this one least of all) can lack skill. On the contrary; although it is not a craft, it is a profession and as such requires technical skill and expertise on the part of the practitioner.

3236

In vroeger eeuwen ontving de jonge schilder zijn opleiding op het atelier van de meester. De leertijd verschilde niet zo veel van die der andere handwerkslieden en was door de gilden verplicht gesteld. M.a.w. wanneer een schilder door het gilde als meester was aanvaard en zich dus kon vestigen, kende hij z'n vak.

De leerling-schilder tekende niet alleen op het atelier, hij leerde er ook zijn gereedschappen vervaardigen, doeken en panelen gronden, vernissen en pastelkrijt maken, verfwrijven, etc. Langzamerhand werd hij vertrouwd gemaakt met de techniek van het schilderen zoals de traditie die voorschreef. Uit de ervaring van vele generaties schilders was deze traditie ontstaan.

Zo ongeveer tot 1800 was het handwerk de hechte basis van de schilderkunst. Hierna verloor het steeds meer van z'n eigenlijke waarde en in de 19de eeuw (de gilden werden opgeheven) eindigde z'n ontwikkeling en ging de traditie verloren.

Sindsdien heeft de schilderkunst een ontwikkeling doorgemaakt, waarbij de artistieke problematiek het handwerk weinig ruimte liet. De factuur, het schrift, kreeg een zeer belangrijke plaats.

De stand van zaken is nu, dat de hedendaagse schilder weinig van z'n vak af weet (natuurlijk zijn ook hier uitzonderingen), veel minder bijvoorbeeld dan de graficus en de beeldhouwer. Het moderne kunstonderwijs heeft de studie  van de materialen en het gebruik er van


In earlier centuries, the young painter received his training at the master's studio. The apprenticeship did not differ much from that of other craftsmen and was made compulsory by the guilds. In other words, when a painter was accepted by the guild as a master and could thus establish himself, he knew his trade.


The apprentice painter not only drew at the studio, he also learned how to make his tools, to prime canvases and panels, to make varnishes and pastel crayons, to rub paint, etc. Gradually he was familiarized with the technique of painting as tradition dictated. From the experience of many generations of painters, this tradition had developed.


So roughly until 1800, handwork was the solid basis of painting. After this it lost more and more of its proper value, and in the 19th century (the guilds were abolished) its development ended and the tradition was lost.


Since then painting has undergone a development in which artistic problems left little room for the craft. The invoice, writing, was given a very important place.


The state of affairs now is, that the contemporary painter knows little about his craft (of course, here too there are exceptions), much less, for example, than the graphic artist and the sculptor. Modern art education has not included the study of materials and their use

3237

niet, of in een te summiere vorm, in het leerprogramma opgenomen. Merkwaardig genoeg is het dus voor de jonge schilder bijna onmogelijk geworden, zich, wat de technische kant betreft, te bekwamen in z'n eigen vak.

Deze cursus beoogt in de eerste plaats de schilder meer mogelijkheden te geven in het gebruik van zijn materialen. Zijn techniek ordent die mogelijkheden met het doel zijn visie direct en zuiver op het vlak uit te beelden.

Tussen de visie van de kunstenaar en het kunstwerk staat o.m. zijn techniek. Ieder schilderij of het nu oud of modern is, heeft z'n techniek nodig...... en techniek kan men leren. Het is niet alleen belangrijk of een schilderij een paar eeuwen -meekan_, een juist gebruik van de materialen geeft ook het grote voordeel van een krachtiger licht- en kleurwerking. Hierdoor wordt de gebruikte vorm en compositie expressiever en de totale werking van het schilderij wordt belangrijk ten gunste beïnvloed.

Naast alle artistieke- en maatschappelijke problematiek kan de schilder zekerheid hebben over het handwerk. Of een visie nu leidt tot een uiterst gedetailleerd naturalisme of tot abstracties, de juiste technische opbouw van een schilderij moet een voor-de-hand-liggende mogelijkheid zijn.

De cursus is vooral op de praktijk gericht. Uit de goede materialen en technieken die zullen worden besproken kan de cursist dié keus doen, die voor hem het meest geëigend is.


in the curriculum, or has included it in too brief a form. Curiously enough, it has thus become almost impossible for the young painter, as far as the technical side is concerned, to become proficient in his own craft.

This course aims primarily to give the painter more possibilities in the use of his materials. His technique organizes those possibilities with the aim of expressing his vision directly and purely on the surface.

Between the artist's vision and the work of art stands, among other things, his technique. Every painting whether old or modern needs its technique...... and technique can be learned. It is not only important whether a painting will last a few centuries, a correct use of materials also gives the great advantage of a more powerful effect of light and color. This makes the form and composition used more expressive and the overall effect of the painting is significantly affected for the better.

Beyond all artistic and social issues, the painter can have certainty about the craft. Whether a vision leads to highly detailed naturalism or abstractions, the correct technical construction of a painting should be an obvious possibility.

The course is primarily practice-oriented. From the good materials and techniques that will be discussed, the student can make the choice that is most appropriate for him.

3235

Hij zal ervaren dat, het zelf gronden van doeken en panelen, het maken van vernissen en verdunningsmiddelen, etc. weinig tijd vergt, veel goedkoper is en betere resultaten oplevert.

Aan een reeks onderwerpen die nauw verband houdt met de materialenkennis, zal mede aandacht worden besteed. We noemen hiervan technieken van oude en moderne meesters, het atelier en de gerredschappen, kleurenleer, hulpmiddelen, compositieleer, onderhoud en restauratie van het schilderij, het stilleven, het landschap, figuur en portret, tempera- en pastelschilderen, aquarelleren, het controleren van de materialen, perspectief en aesthetica.

Aanvang der cursus Maandag 27 Februari 1956, om half negen 's-avonds in het gebouw der Academie.

Lesgeld f 3.50 per maand.


He will experience that, priming canvases and panels himself, making varnishes and thinners, etc. takes little time, is much cheaper and produces better results.

A series of subjects closely related to the knowledge of materials will also be covered. We mention techniques of old and modern masters, the studio and gerredschappen, color theory, tools, composition theory, maintenance and restoration of the painting, the still life, the landscape, figure and portrait, tempera and pastel painting, watercolor, control of materials, perspective and aesthetics.

Start of course Monday, February 27, 1956, at 8:30 p.m. in the Academy building.

Tuition f 3.50 per month.


3238

CURSUS GESPROKEN KUNSTCRITIEK

Men behoeft werkelijk geen kwaad van de kunstcritiek aan een dag- of weekblad te zeggen, om naast de vele voordelen aan het geschreven woord verbonden, ook enige nadelen te zien.

Een dergelijke critiek vindt weerklank, instemming of afkeur, doch binnen de krant moet ze wel een monoloog blijven. Ook wanneer de lezer zich te weer zou willen stellen of nieuwe aspecten tonen, moet hij zwijgen.

Het experiment van de gesproken critiek scheen de directie van de Vrije Academie daarom zeer aantrekkelijk. Zo is het mogelijk dat de monoloog en dialoog wordt, waar criticus, de geïnteresseerde toehoorder en in sommige gevallen de kunstenaar, voor hun overtuigingen zullen moeten stáán om in het gesprek gezamenlijk het kunstwerk te benaderen.

Naast de gesproken critieken, onder redactie van de Heer Wim A.L. Beeren, waarbij hij zelf en gastdocenten zullen critiseren, zal de Heer Beeren om de veertien dagen lezingen houden over onderwerpen uit de moderne kunsthistorie.


COURSE IN SPOKEN ART CRITICISM

One really does not have to say anything bad about art criticism for a daily or weekly newspaper to see some disadvantages in addition to the many advantages of the written word.

Such criticism finds resonance, approval or disapproval, yet within the newspaper it must remain a monologue. Even when the reader would like to refute or show new aspects, he must remain silent.

The experiment of spoken criticism therefore seemed very attractive to the Free Academy's management. Thus it is possible for the monologue to become a dialogue, where the critic, the interested listener and, in some cases, the artist, will have to stand for their convictions in order to approach the work of art together in the conversation.

In addition to the spoken critiques, edited by Mr. Wim A.L. Beeren, in which he himself and guest lecturers will critique, Mr. Beeren will give lectures every two weeks on subjects from modern art history.

3239

Beoogd wordt om, in aansluiting bij bepaalde exposities, verschillende stijlfasen te behandelen. Het gebied na 1850 zal bestreken worden, terwijl dit cursusjaar speciaal de kunst van Cézanne af, de aandacht heeft.

De lezingen worden gegeven iedere Vrijdag om 8 uur in het gebouw van de Academie, te beginnen op Vrijdag 24 Februari 1956.

De kosten voor deelname bedragen f 0.50 per avond.


The aim is to deal with different stylistic phases, following certain exhibitions. The area after 1850 will be covered, while this course year special attention will be paid to the art of Cézanne.

The lectures will be given every Friday at 8 a.m. in the Academy building, beginning on Friday, February 24, 1956.

The cost for participation is f 0.50 per evening.